Global Action in the Interest of Animals
G.A.I.A
GAIA (Groupe d'Action dans l'Intérêt des Animaux asbl) est l'association de défense des animaux la plus influente et une des plus connues en Belgique.
ID: 933463243767-32
Lobbying Activity
Response to Evaluation of Directive 2013/29/EU on pyrotechnic articles
1 Jun 2023
GAIA, een Belgische dierenbeschermingsorganisatie, verzoekt dat de bezorgdheid over de negatieve impact van vuurwerk op het dierenwelzijn wordt geïntegreerd in Richtlijn 2013/29/EU. De richtlijn maakt een onderscheid tussen vier categorieën van vuurwerk (F1-F4). Artikel 4.2 van de richtlijn bepaalt dat een lidstaat enkel het bezit, het gebruik en/of de verkoop van vuurwerk van de categorieën F2 en F3, kan verbieden of beperken om redenen van openbare orde of gezondheid en veiligheid, of omwille van milieubescherming. Het is niet expliciet toegelaten om een uitzondering van het vrij verkeer van vuurwerk (artikel 4.1.) te bekomen om het dierenwelzijn te beschermen. Het schadelijk effect van vuurwerk op dieren is nochtans onderzocht en aangetoond. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat dieren angstig reageren en/of fobieën ontwikkelen t.a.v. luide geluiden, zoals vuurwerk. Ten eerste, sterke angstreacties t.a.v. vuurwerk en andere luide geluiden (geluidsfobie) is een significant welzijnsprobleem voor honden (Heath, 2007). Verschillende studies geven aan dat bijna de helft van de honden een angstreactie t.a.v. vuurwerk vertonen (Blackwell, 2013; Voith, 1996). Ten tweede, één studie geeft aan dat meer dan 15% van de angstige honden meerdere dagen of langer nodig hebben om gedragsmatig te herstellen van een vuurwerkevent, 3% van de honden vertonen gedragswijzigingen voor weken of maanden (Riemer, 2019). Vuurwerk heeft ook een schadelijke impact op katten en vogels. Katten vertonen passieve angstreacties, zoals zich verbergen (Dale, 2010). Vogels vliegen op, zoeken dekking, vluchten en verlaten de oorspronkelijke plek, waar zij het vuurwerk horen (Ottburg, 2008). Alle categorieën van vuurwerk hebben ook andere negatieve gevolgen, naast geluidshinder, op het dierenwelzijn: het vrijkomen van kleine partikels kan leiden tot intoxicatie van dieren en het lichteffect kan angst en stress opwekken bij de dieren. GAIA vraagt dat de volgende bepalingen van de Richtlijn, gezien de negatieve impact van vuurwerk op het dierenwelzijn, worden gewijzigd. Ten eerste, zou de doelstelling van de richtlijn, opgenomen in artikel 1.1 en overweging 15 moeten worden uitgebreid, zodat naast milieubescherming ook het dierenwelzijn in acht wordt genomen. Ten tweede, moeten de uitzonderingsgronden opgenomen in artikel 4.2. van de richtlijn worden uitgebreid, opdat een lidstaat in de mogelijkheid wordt gesteld om een verbod op vuurwerk in te stellen, m.b.t. de vier categorieën van vuurwerk, om het dierenwelzijn te beschermen. Inderdaad, het dierenwelzijn zou uitdrukkelijk als een uitzonderingsgrond op het vrij verkeer van vuurwerk moeten worden opgenomen in de richtlijn. Ook overweging 16, waarin de rechtvaardiging wordt gegeven, om uitzonderingen op het vrij verkeer van vuurwerk toe te laten, moet worden uitgebreid. Er moet in deze overweging worden opgenomen dat een lidstaat niet enkel een beperking op het vrij verkeer van vuurwerk kan invoeren om redenen van openbare veiligheid of gezondheid en veiligheid, maar ook om de reden dierenwelzijn. Aangezien dergelijk verbod in elk geval moet voldoen aan de evenredigheidstoets, pertinent moet zijn en niet verder mag gaan dan nodig om het nagestreefde doel te bereiken (nl. het dierenwelzijn beschermen), is er geen risico dat een bijkomende uitzonderingsgrond de grenzen van de redelijkheid zou overschrijden. Ten derde, zou Bijlage 1.1.2. moeten worden aangevuld, zodat het vereist wordt dat het ontwerp en de fabricage van vuurwerk het dierenwelzijn naleeft (Essentiële veiligheidseisen, 2; A.2; B.1 en B.3). Gezien de maatschappelijke evolutie in Europa m.b.t. het normbesef inzake dierenwelzijn, vraagt GAIA aan de EU om het dierenwelzijn, genegeerd in de wijze waarop de huidige richtlijn is geformuleerd, te erkennen en te integreren in deze regelgeving zodat een lidstaat ervoor kan kiezen om een verbod in te voeren op vuurwerk om de dieren, die schade ondervinden door vuurwerk, te beschermen.
Read full responseResponse to Review of poultry marketing standards
17 May 2023
GAIA (Global Action in the Interest of Animals) is een Belgische dierenbeschermingsorganisatie en vraagt dat de definitie van foie gras, opgenomen in Artikel 1 (3) van Verordening nr. 543/2008, wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee, wordt herzien. De derde alinea van Artikel 1 (3) van de Verordening, waarbij wordt opgelegd dat de levers van ganzen of van eenden aan minimale gewichtsnormen moet voldoen (nl. min. 300 gram voor de eendenlever en 400 gram voor de ganzenlever), voordat deze producten mogen worden verhandeld onder de productnaam foie gras, is overbodig en moet worden geschrapt uit de definitie van foie gras. Deze bepaling heeft, minstens indirect, een negatieve impact op het dierenwelzijn. Het is immers enkel mogelijk om deze gewichtsnormen te halen indien eenden en ganzen worden gedwangvoederd (nog toegelaten in het Waalse gewest). Overeenkomstig de wetenschappelijke literatuur heeft het dwangvoederen een negatieve impact op het welzijn van deze diersoorten (vb. Prof. Donald Broom and Dr. Irene Rochlitz, the Welfare of Ducks during Foie Gras Production, 2015, University of Cambridge). De belangrijkste dierenwelzijnsproblemen die de eenden of ganzen ervaren terwijl en nadat zij worden gedwangvoederd zijn: (1) het vangen en immobiliseren van eenden om hen te dwangvoederen veroorzaakt stress; (2) De insertie van de tube, gebruikt voor dwangvoedering, veroorzaakt potentieel letsel aan de snavel, de kop, de nek en het bovenste deel van het spijsverteringskanaal van de dieren; (3) de gedwangvoederde eenden en ganzen kunnen niet reageren op de kokhalsreflex, hetgeen leidt tot ernstige agitatie; (4) verhoogde agitatie gedurende de eerste drie dagen na dwangvoedering; flappen met vleugels; kop schudden; de kop wordt minder neergelegd (dus minder rust); minder verzorging voor het verenkleed; (5) de dieren hijgen meer om de bijkomende hitte, gegenereerd bij het verteren van grote hoeveelheden voedsel, te verspreiden (thermale stress); (6) obese dieren, met pijnlijke voet-, poot- en loopproblemen tot gevolg; (7) het dieet voldoet niet aan de nutritionele vereisten van de dieren, met aanzienlijke lever-, bot- en andere pathologieën tot gevolg; (8) dwangvoederen leidt tot leverpathologie (steatose van de lever) en er is een verhoogd risico op een vroege dood; (9) dwangvoederen leidt tot een vergroting van de lever met pijn, evenwichts- en bewegingsproblemen tot gevolg; (10) de mortaliteitscijfers, gedurende de periode van dwangvoedering zijn minstens 5 tot 10 keer hoger dan bij eenden die niet worden gedwangvoederd (oorzaak: letsels, ziekte en leverfalen). Indien de gewichtsnormen voor foie gras in de Verordening, die deel uitmaken van de definitie van het product foie gras, worden geschrapt wordt het voor kwekers mogelijk om ganzen- en eendenlever op een meer dierenwelzijnsvriendelijke manier te kweken. Zij zullen immers ook de levers met lager gewicht (dus minder dan 300 of 400 gram), die tot stand zijn gekomen zonder dwangvoederen, kunnen verkopen onder de productnaam foie gras, hetgeen de drempel verlaagt om te stoppen met dwangvoederen, met een positieve impact op het dierenwelzijn. Momenteel kunnen de producenten het dierenwelzijn van ganzen en eenden niet verbeteren (door deze dieren niet te dwangvoederen en lagere gewichtsnormen voor de lever na te streven) zonder de productnaam foie gras te verliezen voor het product, wat economisch moeilijk ligt. De realiteit, dat de producenten van ganzen- of van eendenlever, gezien de minimum levergewichten, gehouden zijn om de dieren te dwangvoederen om de productnaam foie gras te kunnen gebruiken voor hun product gaat in tegen de doelstelling van de Europese Unie om een hoog niveau van dierenwelzijn na te streven. GAIA vraagt dan ook dat deze minimumgewichten voor eenden- en ganzenlever, voordat de lever kan worden verkocht onder de productnaam foie gras, opgenomen in Artikel 1 (3) van de Verordening, worden geschrapt.
Read full responseResponse to Introducing new hazard classes–CLP revision
17 Oct 2022
GAIA vraagt dat proefdiervrije testmethoden worden toegepast en dat het gebruik van dierproeven wordt uitgefaseerd. Om de afbouw van dierproeven te realiseren moeten resultaten uit reeds uitgevoerde proeven zo uitgebreid en optimaal mogelijk worden ingezet om informatie over chemische stoffen te bekomen. Dit om te vermijden dat dierproeven worden uitgevoerd, terwijl de vereiste informatie beschikbaar is.
GAIA vraagt dat in de CLP-Verordening :
(1) de informatie die kan worden gebruikt om een product als een hormoonverstorende stof te kwalificeren voldoende flexibel en ruim wordt omschreven, zodat ook informatie uit de best beschikbare testmethodes zonder dierproeven kan worden gebruikt;
(2) de informatie die kan worden gebruikt om bio-accumulatie in een stof te beoordelen voldoende flexibel en ruim wordt omschreven, zodat ook informatie uit de best beschikbare testmethodes zonder dierproeven kan worden gebruikt;
(3) mechanismen worden opgenomen die ervoor zorgen dat de wetenschappelijke criteria, op basis waarvan de beoordeling van een stof in een bepaalde gevarenklasse wordt beoordeeld, de laatste stand van zaken i.v.m. testmethodes zonder dierproeven weerspiegelen. De wetenschappelijke informatie over de toepassing van testmethodes zonder dierproeven om chemische stoffen te beoordelen evolueert immers constant;
(4) duidelijk wordt omschreven hoe informatie uit testmethodes zonder dierproeven kan worden gebruikt om informatie i.v.m. gevaren te identificeren of een stof te klasseren. De Verordening zou beschrijvingen over de toepassing van testmethodes zonder dierproeven moeten bevatten.
Ten slotte vraagt GAIA dat het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen de industrie ondersteunt waar deze testmethodes zonder dierproeven zou kunnen toepassen door, bijvoorbeeld, (1) beste praktijken te delen en de industrie te informeren hoe data, zonder dierproeven tot stand gekomen, kan worden gebruikt om een stof als gevaarlijk in te delen en (2) de industrie, waar zij testmethoden zonder dierproeven gebruikt, te ondersteunen i.v.m. hoe te voldoen aan de vereisten van de REACH-Verordening en de CLP-Verordening.
Read full responseResponse to General arrangements for excise duty – harmonisation and simplification
23 May 2022
The European institutions have widely acknowledged the necessity to link food safety to other essential requirements such as adequate animal welfare.
Farming in the EU should not be just about volume and price. Quality, animal welfare, worker’s rights and other considerations should always be an integral part of all types of animal productions, also to match what the EU Commission has been telling consumers worldwide through its promotion programmes.
The production of foie gras by force-feeding is clearly at odds with the most basic welfare needs of the animals, as confirmed by any scientific study, with the only exception of those funded by the foie gras industry itself.
As recently as 2017, a peer-reviewed paper was published in a refereed international journal on ‘The welfare of ducks during foie gras production’, which highlighted many severe problems experienced by animals used in foie gras production, in particular as a consequence of force-feeding.
Despite the serious welfare problems that are inherent in foie gras production by force-feeding, conducting regularly post-mortem inspections of poultry carcasses reared to produce foie gras would be an opportunity to increase compliance at least with some of the existing rules on animal welfare.
Foie gras producers claim that force-feeding exploits some physiological characteristics of ducks and geese, which therefore do not suffer stress or injuries during this process.
For this statement to be even remotely credible, at the end of such procedure duck and goose carcasses should not present wounds, bruises or pathologies, especially around their beak, oesophagus, crop, stomach and liver.
Assuming that the claims of the foie gras industry are sincere, we assume that it will be in their interest too to increase independent post-mortem inspections to find out which animals were harmed, and severely sanction all those producers whose animals present lesions and bruises in their bodies.
Surely, this is what EU citizens expect too.
The evidence of mistreatment should lead to seriously dissuasive sanctions and possibly to the withdrawal of the licence for the sentenced farmers or companies, which should no longer be allowed to have animals in their care.
It is therefore possible to use post-mortem inspections as an additional tool to improve animal welfare, which is an integral part of food quality and a clear demand of EU citizens.
Read full response